Tips om de beste wintersportfoto te maken!

Door Rogier

Goede wintersportfoto’s maken is geen 'rocket science', verre van dat zelfs. Maar het is wel belangrijk om een goede kijk (letterlijk) op zaken te hebben en te weten wat je doet. Op het Freeride Film Festival van wePowder geef ik al een paar jaar foto-clinics. Daar kwam van velen de vraag of ik niet wilde uitschrijven wat ik daar vertelde. Bij deze. 

Maak foto’s
Mijn eerste tip voor goede wintersportfoto’s is: maak veel foto’s. In de zomer, thuis, tijdens een wandeling, tijdens het sporten. Maak nachtfoto’s. Maak portretten. Zet je huisdier op de foto. Maak foto's tijdens je wielrenrondje. Kortom doe ervaring op. Hoe meer ervaring je krijgt, hoe beter je automatismen worden en hoe beter je je camera begrijpt. Kort gezegd, je kunt geen goede wintersportfotograaf worden als je ’s zomers je camera nooit aanraakt. Speel met je camera en probeer van alles. Ook van mislukte foto’s kun je leren, juist die!

Basistechnieken
Sommige fotografen doen graag erg moeilijk over instellingen en praten met allerlei moeilijke termen. Ik denk niet dat dat nodig is om goede foto’s te maken. Wel is van het belang om de basistechnieken te begrijpen. In onderstaande piramide heb ik deze schematisch geprobeerd weer te geven. Het maken van een scherpe en goed belichte foto is een samenspel van deze drie waardes: sluitertijd, aperture en iso. Ik wil hiermee niet meteen zeggen dat je alles handmatig moet instellen, maar als een foto mislukt kun je door het begrijpen van deze waardes het probleem achterhalen en oplossen.

Sluitertijd (S)
Hoe sneller een sluiter van een camera dichtgaat, hoe beter deze de beweging bevriest. Als een sluiter te langzaam dichtgaat dan zal een bewegend onderwerp onscherp worden. Het gaat om de beweging die het onderwerp op de sensor maakt. Dus voor een snelle beweging van een skiër die ver weg is kun je met een langzamere sluitertijd toe dan van een skiër of boarder die vlakbij skiet. Je vraagt je misschien af: "Waarom gebruik je niet altijd een zo kort mogelijke sluitertijd?" Dit heeft een simpele reden. Als de sluitertijd korter is dan kan er ook minder licht in de camera komen. Het is dus zaak om een sluitertijd te vinden waarbij het onderwerp scherp is én er genoeg licht op de sensor komt om een goed belichte foto te hebben. Om te zorgen voor genoeg licht heb je de "aperture" (diafragma) en de "iso-waarde".

Tip: Ik gebruik zelden een sluitertijd van onder de 1:1500 voor actie-skifoto’s om zeker te zijn dat alle bewegingen scherp zijn.

Aperture (A)
Ik gebruik de Engelse term omdat diafragma meestal met een A wordt aangegeven op een camera. De aperture is de opening die de lens maakt om licht door te laten. Hoe groter deze opening (hoe kleiner het getal) hoe meer licht er naar binnenkomt. Maar tegelijkertijd zorgt dit ook voor een kleinere scherptediepte. Eenvoudig gezegd, er is minder scherp in de foto. Als het diafragma klein is (dus een groot getal) dan is bijna de gehele foto scherp, maar komt er ook minder licht in de camera. 

Het is dus zaak om een diafragma te kiezen dat zorgt voor voldoende licht en de juiste artistieke blur van je foto (bokeh). Wetende ook dat het niet makkelijk is om met een kleine scherptediepte een zeer snel bewegend onderwerp perfect scherp op de foto te hebben. Dit is voornamelijk weggelegd voor de absolute topcamera’s in combinatie met toplenzen, welke een zeer snelle autofocus hebben. Het spelen met een kleine scherptediepte levert wel erg mooie foto's op. Het kan helpen om je onderwerp uit de foto te filteren.

Onthou: klein cijfer is grote diafragma-opening en kleine scherptediepte. Een groot cijfer is kleine opening. Hoe lager het cijfer, hoe minder er scherp is

Iso
De iso-waarde is een maat voor de lichtgevoeligheid van de sensor. Hoe hoger de waarde, hoe meer licht de sensor zal opvangen. Dat kan vooral in het donker handig zijn, maar het beeld zal ook korreliger en daardoor minder precies worden. Het is zaak om de goede iso-waarde te vinden waarbij jouw camera mooi beeld oplevert in het licht wat jij wilt gebruiken.

Combinatie van het bovenstaande
De goede instelling is dus een combinatie van de bovenstaande waardes, afhankelijk van welk type foto je maakt. Kies je startwaarde (sluitertijd of diafragma) om de andere waardes op aan te passen, als beginnende fotograaf kun je het beste starten met:

actiebeeld: korte sluitertijd
landschap: kleinere diafragma (groter getal)

Veel camera’s presteren behoorlijk goed in automatische stand en daar hoef je alleen van af te wijken als het mis gaat of je artistieke wensen hebt. Daarvoor zijn bovenstaande gegevens van belang om te begrijpen wat er misgaat, en te begrijpen wat je eraan kunt doen.

Licht meten
Bovenstaande waardes komen eigenlijk samen in de manier hoe het licht gemeten wordt door je camera. Camera’s meten het licht om instellingen op aan te passen. Dit kunnen ze op een plek meten (spot + partial), over het gehele beeld met al dan niet een voorkeur voor het midden (Matrix / Center-weighted Average Metering) of over het gemiddelde van het hele beeld met een voorkeur voor waar is scherp gesteld (Evaluative Metering). Per situatie is het van belang dat je bekijkt hoe het licht het beste gemeten moet worden. Over hoe je het beste licht kunt meten zijn hele boeken vol te schrijven. Een paar tips om zelf mee te gaan experimenteren:

Spot- of partial Metering: deze geven je de meeste controle, maar je hebt een grote kans dat veel sneeuw en achtergrond doorbrand als je alleen het onderwerp meet. Zeker in de sneeuw. 
Center-weighted Average Metering: dit werkt erg goed voor wintersport-actiebeeld als je weinig controle hebt waar het onderwerp precies zal zijn. Dit is de mode waar ik erg veel mee werk.
Evaluative Metering: dit is erg afhankelijk van de camera. Bij de ene werkt het heel erg goed. Bij andere camera's duidelijk minder: trainen, trainen, trainen...

De manier hoe je camera licht meet en hoe goed een camera is is merkafhankelijk. Zelfs tussen verschillende modellen zit, is mijn ervaring, verschil. Dit is dus een kwestie van veel testen en ervaring opdoen. Het grote voordeel tegenwoordig is dat je met digitale camera’s voordat je de foto maakt al kunt zien (op een testfoto) of de foto te licht of te donker is. Dit kun je ook vrij eenvoudig aanpassen met de + / - knop: + als het te donker wordt en - als het te licht is. Als je begint met fotograferen kun je met de Center-weighted Average Metering en de +/- knop 9 van de 10 foto's goed belicht krijgen. Helaas wordt het ons wintersporters een stukje moeilijker gemaakt. Winterse beelden zijn lastig om goed te belichten want we hebben te maken met harde schaduwen en hele felle 'highlights'. Dit is een kwestie van trainen, trainen en trainen. Op YouTube kun je hierover prima tutorials vinden, zoals deze:

Scherpstellen
Naast bewegingsonscherpte kan een foto ook onscherp zijn omdat je de camera niet goed hebt scherpgesteld. Topcamera’s kunnen een actie-onderwerp volgen en hebben zo’n snelle autofocus dat ze een onderwerp bij kunnen houden. Mindere camera’s kunnen dat minder goed. Dan is het van belang om een niet al te groot diafragma te kiezen (niet te klein cijfer) te nemen om scherp te stellen op de plek waar je de actie gaat verwachten. Verschillende camera’s reageren verschillend en hebben verschillende mogelijkheden om scherp te stellen. Hiervoor kom ik dus terug bij mijn allereerste tip: maak veel foto’s en leer je camera kennen! Bij landschapsfotografie is een snelle autofocus natuurlijk van veel minder groot belang.

Compositie
Het allerbelangrijkste van een goede foto is compositie: zorgen dat een beeld interessant is om naar te kijken. Een goede foto gaat verder dan simpelweg het moment vastleggen. Er zijn een paar standaardregels voor compositie. 

Wat is je onderwerp?
Het allerbelangrijkste is dat je precies weet en begrijpt wat je onderwerp is zodat dit onderwerp eruit springt. Vaak is dit een kwestie van je onderwerp groot in beeld brengen. Of door te zorgen dat er geen storende andere elementen in een foto zitten. 

De Rule of Thirds
Of op zijn Nederlands de "regel van derden" is misschien wel de belangrijkste regel in de fotografie. Deze regel wordt al eeuwenlang toegepast door wereldberoemde kunstenaars en schilders en daarna natuurlijk ook door fotografen. Deze regel zegt dat we een foto in 9 gelijkmatige vlakken moeten verdelen en dat het onderwerp langs een van de lijnen of op de kruisingen ervan moet liggen. Hierdoor krijgt een foto meer spanning, energie en is het bekijken van het beeld interessanter. De belangrijkste drijfveer van deze Rule of Thirds is dat je het onderwerp niet in het midden van de foto plaatst. Dat geeft over het algemeen een saai en weinig interessant beeld.

Deze regel geldt voor landschapsfotografie maar ook zeker voor sportfotografie. Bij sportfotografie wordt er over het algemeen voor gekozen om de vlakte voor de sporter open te laten zodat je ziet waar het onderwerp heen gaat. Bij wintersport kun je er ook juist voor kiezen om het spoor achter de skiër of boarder zichtbaar te houden.

Tip: de uitlijning van de Rule of Thirds staat vaak al in de zoeker van je camera uitgetekend

In of uit beeld
Afhankelijk van wat je wilt laten zien kun je kiezen om een skiër of boarder in of uit je foto te laten skiën. Onderstaande foto’s zijn hier voorbeelden van:

Het beeld intrekken
Met een goed lijnenspel kun je het zicht van de kijker de foto intrekken. Zo'n lijn kan een bergwand zijn, een lift of een spoor. Het idee is om het de kijker van een foto makkelijk te maken om het beeld in te kijken. Overal kun je lijnen ontdekken die helpen om een foto in te kijken. Een paar voorbeelden zeggen hier waarschijnlijk meer dan de hele uitleg:

Let op details
Een pistepaaltje, een persoon half op de foto, een stuk lift. Vaak zijn dit storende elementen. Let dus op het gehele plaatje. Let op dit soort kleine dingetjes dat die niet opeens in beeld komen als je ze niet nodig hebt. Het zijn deze details waar je op moet letten om het verschil te creeren tussen een kiekje en een mooie plaat. Wees daarmee erg streng. Dit is wat vaak fout gaat bij foto's die ik op wintersportfora langs zie komen. 

Aan de andere kant kunnen details ook helpen om een foto duidelijker te maken. Kijk bijvoorbeeld onderstaande foto. Daar heb ik het pistenet gebruikt om het beste te maken van een mistige omgeving. Alleen twee skiërs in de mist was anders wel een heel saai beeld geworden.

Je model
Om goede actiefoto's te maken heb je ook een goed actiemodel nodig. Hoe beter de skiër of snowboarder, hoe makkelijker het is om een goede foto te maken. Soms laat ik mijn modellen skiën en pas ik mij op hen aan, bijvoorbeeld in een grote vlakte. Zie deze foto:

Andere keren moet de skiër (of boarder) extreem precies zijn om op de plek waar ik de foto wil maken een goede bocht neer te zetten. Dat is een kwestie van veel overleggen en erg duidelijk naar elkaar zijn. (elkaar niet begrijpen heeft al weleens ruzie opgeleverd tussen Sandra en mij ;-) ). Voor een foto als hieronder wilde ik dat Martijn Schell hel precies een bepaalde lijn aanhield om de compostie goed te houden. Dit was dus duidelijk afgesproken. Het was belangrijk dat hij op het goede moment de goede kant op zou draaien. Een beetje speling had ik ingecalculeerd.

Bij een foto als hieronder is het echt centimeterwerk en moet de skiër precies draaien waar ik dat wil om het beeld en de compositie goed te houden.

En, mooie gekleurde en bij elkaar passende kleding is ook van belang voor een compleet plaatje. Het helpt in ieder geval enorm! Let ook op dat er geen zakken openstaan, bandjes van rugzakken los hangen en andere details...

Kleine camera
Zelf vind ik de maat van een camera ook belangrijk. Zeker op de piste (of off-piste): een grote camera zit in de weg, is lastig te pakken en is zwaar. Dat mondt uit in minder en minder gebruik waardoor je ook met minder leuke foto’s thuiskomt, waardoor je je camera weer minder vaak pakt. Kleine camera’s zijn ideaal. Tegenwoordig zijn er gelukkig heel erg veel kleine camera’s die prima op kunnen boxen tegen de grote spiegelreflexen, en dat in zo goed als elke prijsklasse. Denk aan de A6000-A6500 serie van Sony bijvoorbeeld. Zelf werk ik met de Sony A6500 en de Sony A9. Andere merken als Fuij en Panasonic maken ook geweldige kleinere camera’s. Natuurlijk doen Canon en Nikon ook mee, maar met de kleinere camera’s lijken zij moeite te hebben de minder traditionele merken bij te houden. 

Verhaal vertellen
Als laatste herhaal ik de tip die ik ook vaak laat terugkomen in mijn clinic, en die luidt dat je moet proberen om een verhaal te vertellen. Daarmee bedoel ik dat het belangrijk is om een duidelijk idee voor ogen te hebben wat je wilt vertellen in je foto. Of zelfs in je serie foto’s. Wat wil je laten zien? En hoe ga je dat voor elkaar krijgen? Als je antwoord kunt geven op deze twee vragen dan kun je het gaan proberen. 

De fotograaf maakt de foto
Het is dus niet alleen de camera maar vooral ook de fotograaf die foto’s goed maakt. In de contrastrijke winterse bergwereld helpen goede camera’s wel om schaduwen niet zwart te laten zijn en de highlight niet te laten doorbranden. Ook zorgen goede lenzen voor scherpere foto’s met minder vertekening, maar onder goede omstandigheden presteren ook smartphones niet slecht, mits de compositie en het verhaal kloppen. Ik beloof snel een blog te schrijven over Tips & Tricks voor telefoonfotografie.