Eigenwijze vlakkelanders

Door Ruud

Na een lekkere reis draaien we de snelweg af. Weinig tot geen files en goed weer gehad.  En er was nog wel zware sneeuwval voorspeld. Nu nog effe een laatste stukkie sturen, dal door, berg op en dan eerst maar eens een biertje. Dat wil er namelijk wel in na tien uur in de auto.

Op de achterbank barst iemand plotseling uit in “Let it snow. Let it snow. Let it snow” Ja, inderdaad het begint nu toch te sneeuwen en niet zo’n beetje ook. Grote, dikke, witte, verkeersontwrichtende vlokken. Als we aan de beklimming gaan beginnen komt het met bakken uit de hemel. Het wordt helemaal schemerig in de auto vanwege de besneeuwde ruiten. De ruitenwissers maken een klein venster op de winterwereld. Die laatste kilometers dreigen lang te gaan duren.   

Dromend van de dikke laag poeder die er morgen zal liggen sukkelen we voort. Sukkelen wordt kruipen, kruipen wordt slippen. Ondanks de laag die zich vormt is het wegdek glad. Ik heb toch goeie winterbanden, maar dit gaan we niet redden zonder kettingen. Shit. Ik heb die dingen in geen jaren gebruikt. Met tegenzin stuur ik de auto een parkeerplaatsje op, zuchtend stappen we uit. Buiten is het bar en boos. Nou vooruit, dan liggen we niet zo erg in de modder, maar “lekker” in de verse sneeuw. Binnen een paar minuten zien we er uit als sneeuwpoppen.

Na niet eens zo héél veel tijd en na niet eens zo héél veel gevloek stappen we tevreden weer in. Ze zitten er netjes onder. Ratelend rijden we, net iets harder dan stapvoets, verder omhoog. Niet iedereen vindt kettingen blijkbaar noodzakelijk; er wordt links en rechts gegleden en geslipt.

We stoppen een meezing-CD in de speler en brullen mee, we eten een zak banaantjes en een zak chips leeg en doen melige raadspelletjes. We houden de moed er goed in, zullen we maar zeggen, want we komen steeds dichterbij een heerlijke vakantieweek.

Tenminste…nog even niet, want er wordt geremd. In de verte staan een auto in de berm. Wat een plek en een moment om pech te hebben, zeg. Zielig voor die mensen. Het medeleven slaat echter om in ergernis als we er langs kruipen; ze hebben helemaal geen pech, maar ze staan op een zeer onhandige plek half op de weg alsnog hun kettingen om te doen! Laat me raden: landgenoten? Ja, hoor een geel nummerbord. Stelletje klojo’s.

En het wordt nog veel erger; blijkbaar rijden “wij” Nederlanders door tot het niet meer kan en gaan dan ter plekke stilstaan om alsnog de kettingen om te leggen, want nu staan er links en rechts landgenoten met knipperlichten hun stijghulpmiddelen te monteren, daarbij royaal het feit negerend dat ze het verkeer flink belemmeren. Waarom nou niet gewoon onder aan de berg geanticipeerd? Waarom altijd zo eigenwijs? Wat zijn we toch voor volkje, zit ik me geërgerd af te vragen, terwijl ik me niet moet ergeren, want we zijn op vakantie. Ik tik mezelf mentaal op de vingers en manoeuvreer de auto langs een landgenoot die bijna òp de weg zijn kettingen ligt om te leggen. Zucht. Maar….morgen staan we op de ski’s.